App Icoon

Klaar, naar Verenso tijdschrift

Kaderopleiding: verdiepend of het doel voorbij strevend?

Eric van der Geer

In dit artikel een beschouwing op de opleiding tot specialist ouderengeneeskunde en de kaderopleiding. Is de kaderopleiding een aanvulling op de opleiding tot specialist ouderengeneeskunde of streeft het zijn doel voorbij?

Voorgeschiedenis

In 1980 werd Joop Michels de eerste hoogleraar verpleeghuisgeneeskunde aan de Radboud universiteit te Nijmegen. Hij bezette een bijzondere leerstoel,  gesticht door de Stichting Joannes de Deo. Daarnaast was hij geneesheer-directeur van de Stichting Kalorama te Beek tot 1986. In 1989 ging hij met emeritaat. Zijn enthousiasme voor de verpleeghuisgeneeskunde was stimulerend voor studenten en collega’s. Hij heeft veel gepubliceerd en was een veel gevraagd spreker over thema’s over de bejaardenzorg, chronische zieken en zorg in de laatste levensfase.

In 1989 is de eerste vervolgopleiding tot verpleeghuisarts aan het VUmc van start gegaan. In 1995 volgde de opleiding aan het Radboudumc. Twee jaar later startte de opleiding aan het LUMC. In Nijmegen was Paul Froeling de pionier om de opleiding met veel elan vorm te geven. Daarbij werd samengewerkt met Gerion; onderwijsprogramma’s werden via 3,5 inch diskettes – wie kent ze nog? - uitgewisseld. Het team docenten wilde een goede opleiding op de kaart zetten. Er werd veel tijd besteed om een evenwichtig curriculum te bouwen en onderwijsprogramma’s te ontwikkelen. Daarnaast ging de aandacht naar het opzetten van een onderzoeksprogramma. Een aantal promovendi had in de eerste helft van de jaren ’90 hun studie met succes afgerond. Vanaf de eeuwwisseling kreeg het onderzoek meer accent en werden de onderzoekslijnen verder ontwikkeld. Het vormgeven van de opleiding en het onderzoek kreeg in de eerste jaren de prioriteit.

Het ontstaan van kaderopleidingen

Vanaf 2000 is invulling gegeven aan de behoefte aan verdere verdieping van het vak. Gerion bood de kaderopleidingen voor palliatieve zorg (samen met AMC), voor psychogeriatrie en geriatrische revalidatie aan. In een latere fase volgden nog de kaderopleiding voor opleiders (SOON) en voor de eerste lijn (LUMC).

In die jaren was een groot deel van de verpleeghuisartsen erkend op basis van het zogenaamde generaal pardon; op grond van voldoende geachte ervaring werden de artsen die werkzaam waren in het verpleeghuis in 1991 erkend als verpleeghuisarts. Een geringer aantal verpleeghuisartsen had inmiddels, volledig in het verpleeghuis, de tweejarige opleiding gevolgd. Deze situatie kan deels de vraag naar kaderopleidingen verklaren. Tevens kunnen andere ontwikkelingen in het vak, zoals intercollegiale toetsing en de wens voor verdere verdieping middels opleiding deze behoefte hebben gestimuleerd.

In Nijmegen lag de focus op het vormgeven van de pas gestarte opleiding en het inrichten van onderzoekslijnen. Er werd niet bewust afgezien van het opzetten van een kaderopleiding. De prioriteiten lagen elders.

De driejarige opleiding

Vanaf 2007 duurt de opleiding tot specialist ouderengeneeskunde drie jaar. Door deze uitbreiding is de opleiding verbreed met stages, zoals de ambulante stage bij GGz-instellingen, de ziekenhuisstage en een keuzestage. Naast deze verbreding kent de driejarige opleiding ook meer verdieping door onder meer het gebruik van de Verenso-richtlijnen. Daarnaast is het aantal aios dat artikelen publiceert in Nederlands- en Engelstalige vakbladen de laatste jaren toegenomen. Regelmatig presenteren aios resultaten van onderzoek op congressen in binnen- en buitenland. Het werkveld van de ouderengeneeskunde vraagt om competente dokters; er worden hoge eisen aan de specialisten ouderengeneeskunde gesteld door medisch-inhoudelijke en maatschappelijke ontwikkelingen. De opleiding bereidt de aios hierop optimaal voor.

Vervolgopleiding en kaderopleiding

De vraag kan gesteld worden of de kaderopleidingen dezelfde meerwaarde hebben als een jaar of tien geleden. Immers, de huidige aios zijn intensiever opgeleid dan de verpleeghuisartsen van toen. Een verdieping in een bepaald onderdeel van het vak geeft een stimulans aan de professional, die met meer deskundigheid haar patiënten kan behandelen en begeleiden. Deze deskundigheid heeft echter mogelijk gevolgen bij de verdeling van werkzaamheden binnen de vakgroep. Hierdoor kan het gebeuren dat een kaderarts zich ontwikkelt tot een superspecialist en niet meer de breedte van het vak uitoefent. In welke mate past deze ontwikkeling in de behoefte aan meer generalistisch georiënteerde specialisten ouderengeneeskunde? Hieraan verwant kan verwezen worden naar vermindering van het aantal opleidingsplaatsen in de kliniek, uitbreiding van de opleiding huisartsgeneeskunde en ouderengeneeskunde, en de plannen als ‘Naar nieuwe zorg en zorgberoepen: de contouren’ van de Commissie Kaljouw.

Andere partijen dan de beroepsgroep kunnen een andere betekenis aan kaderartsen geven. In die zin dat voor deelgebieden de specialist ouderengeneeskunde als zodanig onvoldoende competent geacht wordt; alleen de kaderarts wordt exclusief erkend voor het omschreven deelgebied. Dit betekent dat de ‘standaard specialist ouderengeneeskunde’ niet meer voor de volle breedte van het werkveld competent geacht wordt, een negatief gevolg van wat in oorsprong als verdieping bedoeld is voor de professional. Een bezinning op kaderopleidingen en -registers lijkt gewenst. Dit geldt voor de huidige kaderopleidingen, maar mogelijk nog meer voor eventueel nieuw te creëren kaderopleidingen.

Auteur(s)

  • Eric van der Geer, specialist ouderengeneeskunde, hoofd VOSON
Reacties