App Icoon

Klaar, naar Verenso tijdschrift

In memoriam - Prof. dr. Frits J.G. Oostvogel

Enschede, 17 juni 1921 | Oudewater, 14 november 2016

Frans Baar

F_Oostvogel.jpg

Officier in de Orde van Oranje Nassau
Pionier in de verpleeghuis- en ouderengeneeskunde
Pionier in de palliatieve zorg
Een goede dokter

Frits Oostvogel was een van de eerste huisartsen in ons land die er voor koos om fulltime te gaan werken in wat toen nog bejaardenhuizen heetten. Na zijn huisartsenperiode trok hij in 1959 vanuit Oudewater naar Rotterdam om daar te gaan werken in het verpleeghuis Antonius Binnenweg. Maar in al zijn werk, zijn lezingen en geschriften is door blijven klinken dat de zorg thuis zijn hart hield.

De bejaardenhuizen waren in een overgangsperiode gekomen: van de zorg voor de armen naar een onderdeel van de gezondheidszorg. Daarvoor waren onderzoek, structurele verbetering, professionalisering en bestuurlijke hervorming noodzakelijk. Oostvogel heeft altijd breder en dieper gekeken. Daarvoor wilde hij studeren, veel lezen, onderzoeken en analyseren om zo te kunnen onderkennen wat de behoeften van ouderen en hun naasten zijn.

Na zijn overstap van huisarts naar Rotterdam ging Oostvogel daar aan de slag als ‘dirigerend geneesheer’. Van zijn bestuur mocht hij zich nog geen directeur noemen. Met de hem kenmerkende creativiteit kwam er een bordje naast zijn deur te hangen: F.J.G. Oostvogel, dir. geneesheer. Vanzelf gingen mensen hem directeur-geneesheer noemen!

Hij en andere pioniers namen in 1964 het initiatief om een enquête te houden in de verpleeghuizen: hoe groot waren de verpleeghuizen, opnamecriteria, gegevens van patiënten zoals diagnose, functiestoornissen, behandel- en verpleegbehoevendheid en reactiveerbaarheid, gegevens van patiënten die waren ontslagen, overgeplaatst dan wel overleden. Verpleeghuizen bleken klein, met niet meer dan vijftig à zestig bedden. Merendeel had geen fulltime arts in dienst. Paramedische behandelaren en maatschappelijk werkers waren een uitzondering.

Zelf startte hij een onderzoek. Het resulteerde in 1968 in zijn proefschrift: ‘Verzorgingsbehoeften van bejaarden. Een sociaal-geneeskundig onderzoek naar de behoeften van gegadigden voor een bejaardenhuis’. Hij deed aanbevelingen welke heden ten dage nog steeds van waarde blijken. In zijn proefschrift staan drie boeiende stellingen:

  1. Ook als de kunde van het genezen faalt, houdt de arts een belangrijke taak bij het doen aanvaarden van lijden en sterven.
  2. Via de televisie wordt het kind op een irreële wijze met de dood geconfronteerd.
  3. Ieder mens heeft recht op anonimiteit.

Landelijk werkte Oostvogel samen met artsen van het eerste uur, zoals Ter Haar, Michels, Aller, Stoop. Samen besloten zij zich verpleeghuisarts te gaan noemen. Nog enkele jaren geleden sprak Frits Oostvogel vol trots over dat moment: “We zagen het als een geuzennaam, we hadden er recht op ons te onderscheiden, op erkenning voor de moeilijke taak die we op ons namen om de zorg voor de meest kwetsbare mensen eindelijk op een hoger plan te brengen”. In 1972 ontstond er een aparte vereniging van verpleeghuisartsen; de NVVA. Oostvogel werd de eerste voorzitter van deze vereniging. Later werd hij erelid.

Hij was trots om een van de verpleeghuisartsen van het eerste uur te zijn, hij werd in 1972 de eerste voorzitter – een inspirerende voorzitter - van de vereniging van verpleeghuisartsen, tegenwoordig Verenso, vereniging van specialisten ouderengeneeskunde. Hij was er erelid.

Nadat in 1968 met de totstandkoming van de AWBZ de verpleeghuizen een vaste plek in de gezondheidszorg hadden gekregen, ontstond ook een snelle toename aan nieuwbouw, aan artsen die fulltime daar wilden gaan werken, aan opleiding van ziekenverzorgenden, paramedici, maatschappelijk werkers en zelfs psychologen. Geestelijk verzorgers hadden en hielden nog lange tijd daarna een aparte plek, zij waren nog lange tijd priester of dominee die van buiten af en toe langskwamen en die niet, zoals wij dat nu kennen, onderdeel waren van het team.

Verpleeghuizen hadden twee functies: de zorg voor patiënten met chronische, complexe ziekte en de reactivering van patiënten die te lang in ziekenhuizen dreigden te verblijven. Maar begin zeventiger jaren werd al snel duidelijk dat er in de verzorgingshuizen en in de verpleeghuizen veel mensen overleden. Het was Oostvogel die signaleerde dat de zorg voor deze mensen niet goed in beeld was en dat hun terminale (zo heette dat in die periode, pas later werd deze zorg palliatieve zorg genoemd) beter moest en kon. Er was weinig aandacht voor de verlichting van symptomen, er was een verdringing van de dood en verminderde aandacht voor rituelen die hielpen om het besef dat we eindig zijn te delen, toenemend sterven in ziekenhuizen of verpleeghuizen. In die tijd stierf meer dan 50% van de bevolking in een ziekenhuis (inmiddels is dit afgenomen tot 28%).

Hij liet zich inspireren dat het ook anders en beter kon, door te lezen en samen met anderen op bezoek te gaan in Amerika en Engeland waar andere pioniers veel aandacht begonnen te geven aan het taboe op de dood en aan betere zorg voor stervende patiënten en hun naasten. Samen met prof. Van de Werf Messing, radiotherapeut in de Daniel den Hoedkliniek en enkele anderen werd in 1972 de stichting Voorbij de laatste stad opgericht. Doel van de stichting was de zorg voor terminale patiënten en hun naasten en ook voor de hulpverleners te verbeteren.

Van 1977-1985 werd in Antonius IJsselmonde op een projectmatige manier onderzocht hoe de terminale zorg verbeterd kon worden. Oostvogel stelde: “We kunnen iets verbeteren als je het wil verbijzonderen”. Dit project heeft veel informatie opgeleverd en bijgedragen aan een landelijke verbetering van de palliatieve zorg voor patiënten, hun naasten, nabestaanden en de betrokken hulpverleners. Het heeft bijgedragen dat in 1992 de eerste hospice-unit in een Nederlands verpleeghuis geopend werd en het heeft bijgedragen tot een Kwaliteitsprotocol Palliatieve zorg in en vanuit verpleeghuizen. Wie had toen kunnen denken dat een groeiend aantal mensen met complexe ziektebeelden tegenwoordig thuis kan sterven.

Aan het roer dien avond stond het hart
en scheepte maan en bossen bij zich in
en zeilend over spiegeling
van al wat het geleden had
voer het met wind en schemering om boeg en tuig
voorbij de laatste stad

Gerrit Achterberg

Als pionier in de verpleeghuis- en ouderengeneeskunde en de palliatieve zorg, was Oostvogel iemand met visie en wijsheid. Hij was een meester in het zoeken naar verbinding en in het schrijven van goede lezingen en hoofdstukken in boeken en nota’s. Zo was hij adviseur van de overheid en bisschoppen en deed mee in het publieke debat over ouderenzorg en ethische vraagstukken zoals euthanasie en palliatieve zorg.

Hij was een inspirerende directeur. In het managementteam was hij er voorstander van om zaken goed te regelen, maar vooral vanuit inspiratie over goede zorg. Vergaderingen waren soms lang, maar er werd samen goed nagedacht over waar het werkelijk om ging. Zaken regelen moest vooral buiten de vergaderingen gebeuren.

Hij was een bijzondere leermeester. Bijzonder was hoe hij vertrouwen gaf. Op mijn vraag in 1982, hoe ik, jonge arts, moest omgaan met de vele vragen en problemen die op mij afkwamen, zei hij: “Frans, kijk naar dat bureau en durf problemen die je nog niet kunt oplossen in de bovenste la te leggen. Je zult zien dat de volgende dag 9 van de 10 vanzelf zijn opgelost”. Met een knipoog voegde hij er aan toe: “De kunst is wel om te leren dat ene probleem te onderscheiden en niet in die la te leggen”.

Hij was ook een goede dokter. De patiënten en de verpleging zagen hem graag op de afdeling en een visite lopen met hem was inspirerend omdat hij goed keek en luisterde en je hielp een probleem van een andere kant te zien. Hij was iemand  die vond dat professionals hun vak moeten verstaan en daarvoor ook moeten opkomen. Na zijn pensionering was hij nog steeds erg betrokken bij de ontwikkelingen in de zorg. Hij maakte zich zorgen over de doorgeschoten ‘meetdrift’ en protocollisering: “Goed dat we meten, maar we moeten niet teveel meten, dan maak je de zorg en de liefde kapot”.

Frits Oostvogel liet zich steeds inspireren door zijn vrouw Annemie, zijn kinderen, zijn verdere familie, door vakanties, door lekker eten, door verhalen, door muziek, door boeken en poëzie. Inspiratie die hij liet horen en zien. Bijvoorbeeld toen hij in 1984 aan de Erasmus universiteit buitengewoon (stiekem was hij trots op deze toevoeging) hoogleraar in de medische gerontologie en geriatrie werd, en hij zijn inaugurele rede opende met een gedicht van Kahlil Gibran: 

Alleen wanneer je drinkt uit de rivier der stilte
zul je waarlijk zingen.
En wanneer je de bergtop hebt bereikt,
zul je beginnen te klimmen.
En wanneer de aarde je ledematen zal opeisen
zul je waarlijk dansen.

Nadat zijn vrouw en hijzelf naar woonzorgcentrum De Wulvenhorst in Oudewater gingen, waren er moeilijkere jaren. Zijn vrouw die altijd een grote steun en toeverlaat voor hem is geweest, overleed eerder dan hij. Zijn eigen lichaam werd brozer en hij overleefde zichzelf, zoals hij zelf zei. Heftig was dat zijn ogen steeds minder waren geworden en dat hij daardoor niet meer kon lezen. Toen een van zijn dochters een keer vroeg of hij steun had aan wat hij zelf en anderen hadden geschreven over de goede ouderdom, was zijn reactie: “Dat was theorie, dit is de praktijk.” Hij verlangde opvallend genoeg niet echt naar het einde: “Nee zo gaat het en het is soms wel te zwaar”. Zijn kinderen, kleinkinderen, een aantal oud-collega’s en vrienden zijn hem tot het laatst toe nabij geweest. Hij was altijd erg dankbaar voor de zorg van de verpleging, die hij ook tijdens zijn werkperiode altijd zeer hoog had. “Ze hebben niet altijd genoeg tijd, maar altijd waren en zijn ze lief voor me”, zei hij nog tijdens ons een na laatste contact kort voor zijn overlijden.

Oostvogel had een brede visie op wat nodig was om de zorg voor ouderen te verbeteren, hij was kritisch, intellectueel, geïnspireerd en inspirerend. Hij was terecht een trots mens, iemand met een speelse humor, kon soms ondoorgrondelijk stil zijn (klonk daar het gedicht van Gibran door?). Zijn levensverhaal is in een boeiend interview opgetekend door de Nederlandse Vereniging voor Klinische Geriatrie. Hij was een goede dokter, een belangrijke pionier en een goede Frits. De ouderenzorg in ziekenhuizen, verpleeghuizen en thuis heeft veel aan hem te danken.

Auteur(s)

  • Frans Baar, specialist ouderengeneeskunde, Laurens Cadenza te Rotterdam

Literatuur

  • Oostvogel FJG. Verzorgingsbehoeften van bejaarden. Een sociaal-geneeskundig onderzoek naar de behoeften van gegadigden voor een bejaardenhuis. Proefschrift. Nijmegen, 1986.
  • Oostvogel FJG. Omgaan met veroudering. Rede Uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van buitengewoon hoogleraar, vanwege de Stichting Katholieke Verplegings- en Verzorgingsinstellingen Rotterdam, in de medische gerontologie en geriatrie. Erasmus Universiteit Rotterdam, woensdag 19 december 1984.
  • Oostvogel FJG en anderen. Omgaan met sterven, Symposiumverslagen 14 juni en 27 september. Zorn,  1985
  • Cammen van der T, Knecht-van Eekelen A. Pionier van de Verpleeghuisgeneeskunde: Frits Oostvogel. Interview met Oostvogel in de Wulvenhorst. NVKG, aug 2015
  • Berg van den H. Van ‘diepgevoelde roeping’ tot ‘marktgedreven kwaliteit’. De rijke geschiedenis van de Stichting Katholieke Verplegings- en Verzorgingsinstellingen Rotterdam. Laurens, Rotterdam, 2008.
  • Trommel J, Ribbe MW, Stoop JA. Capita selecta van de verpleeghuisgeneeskunde. NVVA. Bohn en Scheltema & Holkema, 1989.
Reacties
Marian Tabak-Hoogenboom
Ik heb in 1957 als 7 jarig meisje 2 weken bij dokter Oostvogel gelogeerd omdat mijn moeder in het ziekenhuis lag. Ik denk nog met veel plezier aan de mooie tijd bij hun in het gezin.
Het was een fijne dokter voor ons.
PDF
Genereer PDF document