Thema's en projecten

Nihilisme is niet nodig met de specialist ouderengeneeskunde naast je

Het begint hier (‘in ’t zuiden’) vooral in de verzorgingshuizen een duidelijk knelpunt in de zorg te worden;. Huisartsen zijn onbekend of ongewend met bijvoorbeeld zuurstof geven en vooral met de mogelijkheden van parenteraal vocht. Ze consulteren ons, de ‘eerstelijns specialisten ouderengeneeskunde’ in onze zorgregio, daarvoor. En we kunnen helpen. Ze zien ons als de collegae met verstand van zaken op dit gebied. Het ontzorgen van de huisarts, zoals ooit van belang, is nu aan de orde en we kunnen dat laten zien. Het lukt ons.

Wat we binnen onze beroepsgroep als ‘common practice’ beschouwen, wordt door onze directe collegae in de eerste lijn, als zeer bijzonder ervaren. Bij bewezen of verdachte COVID-19 problematiek zijn wij extra handvatten voor de huisarts om tot oplossingen te komen. Plots (?) begrijpt men onze expertise en, niet het meest onbelangrijk, wordt deze ook benut. Ik ben de laatste tijd bovenmatig trots op mijn vak!

Het voelt bijna ongemakkelijk dat ik de huisarts vertel wat je nog allemaal kunt doen tussen symptoombestrijding en doorverwijzen. Dat we ook in verzorgingshuizen nog heel goed kunnen monitoren. Dat ‘supportive medicine’ zowel in het perspectief van cure, als van care, ertoe doet. Dat het vernevel-verbod geen totaal verbod is, maar zinvol blijft, hoewel het nu bijzondere aandacht vergt voor de bescherming van personeel en omgeving. We nemen zorginstructies van hen over, wat men zeer waardeert.

We bieden de meest kwetsbaren dus nog steeds een perspectief. Dat is niet in het minst voor familie en dierbaren zeer wezenlijk. Ook zonder hun aanwezigheid zoeken we naar de beste  ‘remedies’ in het belang van ‘onze’ patiënten. Logisch voor ons, dat hebben we Hippocrates en onszelf immers ooit beloofd. Maar voor de naasten die nu, noodgedwongen, op afstand dienen te blijven, is dat een grote troost.

Mutatis mutandis heb ik datzelfde gevoel als ik naar de landelijke aandacht voor de expertise van onze beroepsgroep kijk. Bijvoorbeeld collega Van Dijck (Regio Noord Limburg) die namens Verenso zitting heeft in de werkgroep ‘Triage thuisbehandeling versus verwijzen….etc’. Participaties van Verenso die FMS, NHG en NVKG ‘overnight’ als vanzelfsprekend zijn gaan beschouwen. Hier zit de expertise en vaardigheid van onze beroepsgroep aan tafel om in scenario’s te kunnen denken. Dat lijkt dan om ’niet-medische redenen’ zult u misschien denken. Maar vergis u niet. Het is zo impliciet in ons denken en handelen, dat we haast verlegen worden als men ons er ons expliciet om vraagt. Het bijzondere van ons vak zit in het gewone, om een verzekeringsbedrijf te parafraseren.

Maar vergeet niet dat deze roem, dit snel stijgende aanzien, in de toekomst vraagt om aan de verwachtingen te blijven voldoen. Zo’n eerste verwachting zal al ingevuld moeten worden, zodra straks de eerste post-ic en ziekenhuispatiënten moeten gaan revalideren. Niet alleen van de GRZ-artsen wordt dan iets verwacht. Maar van onze hele beroepsgroep. Kaderarts of niet. Maar ook dat kunnen we. Zeker met de hulp van de kaderartsen GRZ die we kunnen consulteren en met de richtlijnen die nu, in ijltempo, vanuit het GRZ-consortium, worden ontwikkeld.
Deze naderende ‘tour de force’, zou meteen een uitdagend perspectief kunnen bieden voor GRZ in de eerste lijn. Geeft ook gelijk bekendheid bij de huisarts over deze expertise in onze beroepsgroep.


Mathieu Prevoo
Bestuurder Wetenschap & Opleiding